donderdag 27 februari 2020

Alles went... behalve de gevangenis











De gevangenis. Daar naar binnengaan is bijna ‘gesneden koek’. Spanning en sensatie zijn na al die jaren wel weg. Mijn pasje wordt nog wel iedere keer even ingenomen en in een oogwenk bekeken.
Mijn paspoort wordt geregistreerd; inmiddels sta ik vast al honderden keren in de PC.
De verwarring over mijn ‘meisjesnaam’ (raar woord voor een vrouw die inmiddels in de categorie ‘middelbare leeftijd’ past) en mijn getrouwde achterkant is ook allang verdwenen.

De route naar boven kan ik desnoods maken met een blinddoek voor.
Spreekkamertje kan ik uittekenen, compleet met alle spreuken en kreten die mensen er hebben achtergelaten op het witte vliesbehang.
Er staat nu wel ineens een nieuwe tafel. Met een blad van dik hout. Zo eentje waarvan je planken zaagt. Skai-lederen (raar woord, want een ingebouwd contrast) stoelen.

Er heerst deze dag een relaxte stemming. Zelfs de bewakers doen vrolijk mee.
“Doe hem de groeten,” grapt de bewaarder die bij het toegangspoortje staat en informeert voor wie ik kom.

De man die ik bezoek is een intelligent type die ‘out of the prison’ kan denken, dus het uur praten vliegt voorbij. Hij is al bezig met zijn toekomst. En ik maak me er eigenlijk geen enkele zorgen over of die succesvol zal zijn. Zijn kwaliteiten (intelligentie, kennis én relativeringsvermogen) zijn een stevige ondergrond voor de doorstart in vrijheid.

Het is druk in de gevangenis, de familiezaal zit vol. Was al te zien aan de gevulde parkeerplaats. Alle tafeltjes zijn bezet en ik loop door een muur van geroezemoes.

Er is een dik uur voorbij als een bewaarder een seintje komt geven.
“Zijn jullie bijna klaar? Willen jullie zo langzamerhand gaan afronden?”
Een vraag, geen opdracht! In de ogen van het personeel zie je de weerspiegeling van het gedrag van de gedetineerde. Dat zit hier wel goed.

Praten we over het delict? Nee, eigenlijk niet veel. We praten over mens-zijn, en dat daarbinnen inderdaad weleens iets in de verkeerde richting kan gaan.
“Ik stuur je wat foto’s van de kunstenaar,” beloof ik bij vertrek. Omdat wij beiden kunst inspirerend vinden (vooral omdat het je ánders leert kijken) komt ook dat onderwerp regelmatig in onze gesprekken voorbij.

Het is net alsof ik wegga bij een vriend die woont op een flat. De trappen af, en de deur naar het voorportaal van buiten gaat bijna nog sneller open dan de gemiddelde liftdeur in een gewone flat.
In het voorbijgaan steek ik mijn hand op naar de medewerkers in de ‘vissenkom’ bij de ingang en loop naar het kluisje voor mijn jas en tas.

En dan staat dat daar… bovenop de rij met kluisjes voor jas en tas… het autostoeltje om een baby’tje veilig in te kunnen vervoeren. Net los geklikt uit de auto.