Ze was net acht, het tengere meisje met de bijna zwarte
ogen dat we ophaalden bij station Haarlem. Op de achterbank in de auto, naast
ons dochtertje van vijf, bleef het verdacht stil. Wat onwennig naar elkaar
glimlachen, dat kon ook zonder woorden.
“Wie woont hier boven?” waren haar eerste, zodra ze over
de drempel stapte van ons rijtjeshuis. Als je met je vader en moeder één kamer
deelt in een vluchtelingenopvang, is zo’n doorzonwoning een doolhof.
Veel Duits beheerste ze nog niet, net een paar maanden
daarvoor uit Boekarest naar Berlijn gekomen. De ideale gelegenheid om ons
middelbareschoolduits een beetje af te stoffen, maar niet voor lang. Binnen een
week schakelde ze al ogenschijnlijk moeiteloos over op het Nederlands In een
geheel eigen staccato aan woordjes, die een jaar later bleken veranderd in een
spraakwaterval. Toen leerden wij van haar.
Het was haar suggestie, bij de tweede terugkeer naar huis
na de zomervakantie in Nederland, dat wij in de herfstvakantie naar Berlijn
zouden komen. Ver? “Ach nein, ich komme doch auch bei dir!”
Toen we een paar maanden later met een tas vol pindakaas
en andere Hollandse souvenirs op bezoek zouden gaan in hun échte eigen huis,
had ik – stom stom – mijn agenda thuis laten liggen, en wist ik me alleen nog de
straat maar niet het nummer te herinneren. Eindeloze huizenblokken, kijken bij alle
bellen naar al die soms onuitspreekbare buitenlandse namen. Oh, waarom kwam het
nummer, dat ik zo vaak op brieven naar haar schreef, nou niet spontaan
bovendrijven?
Dankzij een vriendin in Nederland die – ver vóór het
mobieletelefoontijdperk – met veel overtuigingskracht het adres achterhaalde
bij de toenmalige coördinator Noord-Holland - vonden we de volgende dag haar
portiek. Zij zat boven voor het raam, in tranen toen ze zag dat we toch nog
kwamen. Had ze de moed al verloren?
Ze kwam een derde keer naar Nederland, en daarna was ze ‘te
groot’. Brieven vertelden het verhaal van haar verdere leven, van anorexia en
de kaasstengels die ik maar bleef sturen omdat ze die zo lekker vond. Maar haar
honger naar ergens thuis horen was daarmee niet te stillen. In Roemenië (waar
ze met haar ouders eens naar terugging) bleek ze een Duitse, in Duitsland was
ze een Oost-Europese.
Een paar jaar terug zagen we haar weer. Nog steeds klein
van stuk, maar wél mooi de leidinggevende van een compleet team op een
Starbuckslocatie. Met ferme tred instrueerde ze de collega’s voordat ze met ons
vertrok. In haar autootje scheurde ze ons door het centrum van Neurenberg. Niet
al te voorzichtig, volgens mijn echtgenoot op de voorbank, maar wel naar haar
favoriete sushibar waar ze in razende vaart de lopende band leegde op onze
eettafel. In datzelfde tempo taxiede ze ons terug naar ons slaapadres. Dat die
tocht eerst via vier, vijf andere hotels ging, omdat ze het niet precies kon
vinden, doet daar niks aan af.
En nu, een paar weken terug, kreeg ik een whatsapp met
een wel heel bijzondere foto. Een zwart-witfotootje dat ik eens goed moest
bekijken. Een echo! Nog een paar maanden, dat is ze moeder. Het waren soms
woelige baren, maar dit is toch wel een mooie koers. Dat vraagt om een vleugje
Holland.